Het voorbeeld van de harmonische oscillator
Het eenvoudigst voor te stellen voorbeeld is dat van een harmonische oscillator: een veer die aan één uiteinde bevestigd is en aan het andere uiteinde voorzien is van een massa.
Wanneer men een oscillator verstoort, bijvoorbeeld door er een trekkracht op uit te oefenen en deze vervolgens plotseling los te laten, begint de massa te oscilleren. De beweging van de oscillator wordt bepaald door zijn traagheid, de demping en de terugroepkracht van de veer. Zonder demping zou de massa tot in het oneindige blijven oscilleren. In de werkelijke wereld is er altijd een vorm van demping aanwezig, bijvoorbeeld luchtwrijving, en zal de massa uiteindelijk weer tot stilstand komen. Dit is echter niet het geval als het systeem steeds nieuwe impulsen krijgt.
In de werkelijke wereld kan een dergelijke situatie zich effectief voordoen en in bepaalde omstandigheden instabiliteitsfenomenen met zich meebrengen, waarvan ‘resonantie’ het bekendst is. Dergelijke fenomenen kunnen verwoestende gevolgen hebben voor de integriteit van de constructie en zelfs tot de instorting ervan leiden.